Schaakherinneringen

Het was in de jaren dertig van de vorige eeuw dat de latere schaakgrootmeester Max Euwe bij een groot deel van de Nederlandse bevolking, met name onder de mannen, bekendheid verwierf met zijn opvallende prestaties op schaakgebied. In 1935 werd hij zelfs wereldkampioen.
De crisisjaren waren op hun dieptepunt en voor vele werklozen bood het schaakspel een mogelijkheid tot een, op zekere hoogte, nuttig tijdverdrijf.
Zo verging het ook mijn vader, die in die tijd samen met zijn zwager wat munten bijeen sprokkelde en tot de aanschaf van een heel goedkope uitvoering van een schaakspel met bord besloot. Zo’n 15 jaar later bracht hij mij met dezelfde ruwhouten stukken en enigszins gammel geworden bord de eerste beginselen van het edele schaakspel bij. Dat hoort bij de opvoeding, moet hij gedacht hebben. Veel aandacht heb ik in die tijd niet aan het spel gegeven, dat kwam eigenlijk vier jaar later pas. Op de MTS, waar ik in 1954 bouwkunde ging studeren werd door een aantal leerlingen, vooral uit de hogere klassen, in de pauzes enthousiast geschaakt. Af en toe speelde ik een potje mee, maar ik werd meestal in korte tijd van het bord geveegd. Een schoolkameraad, Theo de Boer, overkwam dikwijls hetzelfde. Hij had op zekere dag een schaakclub ontdekt en stelde voor om daar samen eens heen te gaan. Misschien zouden we het spel dan beter onder de knie kunnen krijgen, was het idee. De club heette RSR en had een katholieke inslag. De club speelde in een lokaal op de Schiekade. Dat was nog een hele tocht, want Theo kwam uit Oud-IJsselmonde en ik woonde aan de rand van de Tarwewijk in Rotterdam-Zuid. Het lidmaatschap van die club duurde echter niet lang.
Op zekere dag kwam één van de leden van RSR., Nico Wijngaarden, thuis bij mij langs. Hij had het plan opgevat om in Rotterdam-Zuid een (katholieke) schaakclub te gaan oprichten en was een actie begonnen om daarvoor leden te werven. Voor zover ik me herinner had hij bij RSR wat onenigheid ondervonden.

Zo ongeveer werd de schaakclub “Gambiet” geboren. De officiële oprichting moet volgens mijn berekening in 1955 hebben plaatsgevonden. We speelden in een soort (bouw)keet achter in de tuin bij de pastorie, waardoor ons onderkomen als snel “het kippenhok van de pastoor” werd genoemd. Theo en ik werden er lid. Andere namen van leden uit die tijd herinner ik me niet meer, maar één lid werd, zo later bleek, één van mijn meest speciale schaakvrienden: Cor van Lent.
Na redelijk korte tijd vond de club in Charlois een onderkomen en in 1958 moest ik zelf, na afloop van mijn studie, mijn dienstplicht gaan vervullen.
Inmiddels had ik ook een leuk meisje leren kennen en het toeval wilde dat haar vader ook schaakte. De “verkering” was nog erg pril, dus bij elkaar thuiskomen was in die tijd nog geen optie. Op de schaakclub ontmoette ik echter een nieuw lid met dezelfde achternaam… Door te vragen of hij de vader was van Henk, de broer van mijn lief, werd al snel duidelijk tegen wie ik zat te schaken. Hij was door dezelfde Nico geronseld en was eerder lid geweest van De Zwarte Dame. Vier jaar later werd hij mijn schoonvader, maar toen schaakte hij al niet meer.

Toen ik in 1960 uit dienst kwam was het ledental van Gambiet zodanig geslonken dat bij één van de leden, penningmeester Geert Verschoor, thuis in de De Manstraat (bij Pleinweg/Wolphaertsbocht) werd geschaakt. Bij mijn terugkomst op de club speelde ik in de huiskamer daar de eerste partij tegen Frans Verhoeckx, die als de sterkste schaker van de club bekend stond. Hij gold als onverslaanbaar en beschikte over een grote dosis theoriekennis. Hoe ik het geflikt heb weet ik niet meer, maar in die partij moest hij zijn koning omleggen. Ik maakte er “naam” mee en iedereen vroeg wat ik in de diensttijd allemaal had bijgeleerd. Vanaf dat moment is het snel gegaan met mijn schaakhobby. Niet als speler, want ik kwam nooit echt boven het gemiddelde uit, maar als bestuurslid van een weer langzaam uitgroeiende volwaardige schaakclub. Als wedstrijdleider heb ik vele leuke, spannende en succesvolle momenten meegemaakt, waar ik met grote voldoening op terug kijk. Later werd ik zelfs gevraagd als bestuurslid van de RSB, waar ik me met de propaganda, het bondstijdschrift en het speciale jeugdblad heb beziggehouden. Het was in die tijd de opkomst van succesvolle jeugd, zoals Jan Timman en Hans Böhm,die toen nog “broekies” waren.

In 1970 kwam dan de fusie met De Zwarte Dame. De toenmalige voorzitter van Gambiet, Klaas Voerman, was één van de voorstanders en hij kreeg de meerderheid mee. Heel democratisch werden er door de leden voorstellen gedaan voor een nieuwe naam van de club. Het idee van Roel Warnik, om de oorspronkelijke term voor “schaakmat” te kiezen kreeg te meeste stemmen en zo werd het “Shah Mata”.
Vooral Cor van Lent en ik hebben in die beginjaren een belangrijke bijdrage mogen leveren tot de verdere groei van de club. Zijn herinnering leeft voort in zijn naam die aan een interne competitie bij de club is verbonden. Voor mij kleeft de herinnering aan het bekende logo met paard dat ik ooit voor het clubblad ontwierp en dat nog steeds door de club wordt gebruikt.

Naar aanleiding van oude foto’s van leden van de toenmalige Zwarte Dame op de website van Shah Mata, heb ik met groot plezier wat ontboezemingen uit mijn schaakleven opgetekend.
Een vraag op de website was wie ooit bij de Zwarte Dame toch die schaaktafels met inlegborden heeft gemaakt. Het antwoord is voor mij erg gemakkelijk: Piet Wijs, die in 1962 mijn schoonvader werd…

Cor Vermeulen